maandag 16 maart 2015

Mijn definitieve SWOT

Naar aanleiding van de laatste feedback van Eric (zie vorige week) heb ik nog wat kleien aanpassingen gedaan in mijn SWOT. Hierbij dan de definitieve versie (zonder plaatjes want die pakt het systeem niet meer). .

Quest 3 SWOT analyse voor mijn organisatie

Inleiding


In de groep hebben wij gediscussieerd over het scenario waar wij mee verder zouden willen. De meningen waren verdeeld, dat is ook wel op onze individuele blogs terug te zien bij blog 2. Iedereen   had goede argumenten waarom haar of zijn voorkeur het meest interessant was. Uiteindelijke hebben we gekozen voor het meest vooruitstrevende scenario, namelijk die waar de netwerkschool en de virtuele wereld elkaar vinden: de lerende  gaat naar de wereld en leert in ontmoeting. We denken dat we daar het meest creatief mee aan de slag kunnen gaan voor deze Challenge en dat we daar onze verschillende sectoren een plekje in kunnen vinden.

In 2030 bestaat de rol van de docent niet langer. Fysieke scholen hebben al enige jaren geleden hun deuren gesloten, het onderwijsaanbod wordt inmiddels virtueel geregeld. Een groot scala aan onderwijsvormen is hiervoor beschikbaar: MOOC’s, online learning communities, serious gaming, augumented reality etc. Dit maakt het voor de lerende mogelijk om zelf te bepalen wanneer, waar en hoe hij of zij leert (Sloep, 2014).

De persoon die het dichtste in de buurt van een docent zoals we die in 2015 kenden staat, is de leercoach. Deze persoon heeft als taak om de lerende wegwijs te maken in de steeds complexer wordende maatschappij (Metcalfe & Green, 2007).

Inzet van deze leercoach wordt mogelijk gemaakt door middel van zogenaamde leervouchers die iedere burger tot zijn beschikking heeft en door de overheid worden verstrekt. De lerende richt zo, onder begeleiding van een leercoach, een personalised learning enviroment in. Hiermee kan de lerende met aanbieders en stakeholders communiceren (Van Wetering & Desain, 2014)

Er wordt in 2030 niet langer richting eindtermen gewerkt, diploma’s bestaan niet meer. Na het afronden van een cursus, een event, een portfoliowerkstuk of na het opdoen van ervaring wordt een aantekening op het digitaal portfolio van de desbetreffende persoon gemaakt.

De eerste stappen richting deze vorm van onderwijs zijn al in 2013 gezet. De toenmalige Ecole 42 bood aan een select gezelschap kosteloze scholing aan, zonder docenten, zonder lesaanbod, zonder diploma maar met baangarantie (Ecole 42, 2013). Inmiddels, in 2030, is deze vorm van onderwijs voor iedereen van 16 jaar en ouder beschikbaar.

Strengths

Leercoach

Er is veel kennis, ervaring en enthousiasme bij het opleidingsinstituut als het gaat om ontwerpen van leertrajecten op individueel niveau. Wij zijn gewend te denken in individueel maatwerk voor lerenden: de rol van leercoach in dit scenario past hierbij.
Imago en samenwerking
Wij zijn een grote instelling met goed imago als het gaat om de inhoud van de zorg. In een netwerkschool omgeving is het belangrijk dat andere partijen met je samen willen werken en hun inhoud en kennis met je willen delen op (inter)nationaal niveau. Ons goede imago maakt het waarschijnlijk dat dit gaat gebeuren.

Innovatie in de organisatie

Er wordt binnen het Radboudumc al veel onderzoek gedaan en geïnnoveerd op gebieden zoals augmented reality in het Reshape centrum. Dat zijn ICT toepassingen die in een virtuele netwerkschool belangrijk worden. Die kennis en ervaring wordt nu al opgebouwd en is belangrijk in de virtuele netwerkschool

Weaknesses

Geen ICT structuur voor leren

We hebben nu (2015) nog geen digitale leeromgeving/LMS of E-learning. Dat betekent dat er een grote achterstand binnen de organisatie is in kennis en vaardigheden als het gaat om de inzet van ICT mogelijkheden in het onderwijs. Dat geldt niet alleen voor medewerkers van de onderwijsinstituten maar ook voor de professionals in het ziekenhuis. Om een virtuele school te realiseren zal er een enorme inhaalslag gemaakt moeten worden.

Structuur van de organisatie

De structuur van de organisatie van de organisatie is erg bureaucratisch, politiek getint en met een divisiestructuur. Dat maakt dat gezamenlijke besluitvorming over nieuwe (ICT) ontwikkelingen traag verloopt. De vraag is of we in deze structuur, en met deze besluitvorming,  in 2030 onze achterstand hebben kunnen inlopen om echt een virtuele school te kunnen worden. 

Weerstand en imago

Het Radboudumc heeft bij omliggende ziekenhuizen een 'naam':  wij weten het (volgens hen) altijd beter! Dat roept weerstand op. Tegelijktijdig hebben wij een achterstand als het gaat om ICT toepassingen in het onderwijs, dus zo goed hebben wij het niet geregeld. Deze twee factoren gecombineerd geeft een imagoprobleem dat de samenwerking in netwerken kan belemmeren.

Opportunities


Aansluiten bij de praktijk

Het samenwerken in netwerken met verschillende stake holders (in ons geval andere zorginstellingen, beroepsverenigingen, patiëntenverenigingen etc.)  leidt tot aanbod in het onderwijsinstituut dat nog beter aansluit bij de werkplek/de praktijk. Dat is een enorme kans om ons onderwijs te verbeteren.

Verschillende leermogelijkheden 

In dit scenario zijn er veel verschillende manieren van leren mogelijk. Lerenden met diverse leervoorkeuren kunnen hierdoor leren op een manier die precies bij hen past. Dat verhoogt zowel het plezier als het rendement van het leren en is daarmee echt een kans van dit scenario.

Kwaliteit van zorg

Door het leren in netwerken, waarin theorie en praktijk (inter)nationaal bij elkaar komen, kunnen lerenden ontwikkelingen in de zorg op de voet volgen. Bovendien kan het gebruik van ICT hulpmiddelen het volgen van ontwikkelingen verder faciliteren. Dat kan een positief effect hebben op de kwaliteit van de zorg en de motivatie van de lerenden.

Threats  


De rol en houding van de  zorgprofessional

De ICT geletterdheid bij (een deel van) de doelgroep is niet hoog. Er is sprake van huiver als het gaat om het gebruiken van ICT mogelijkheden en daardoor ontstaat weerstand. Daarnaast wordt weinig eigenaarschap gevoeld als het gaat om je eigen leren en ontwikkeling. Verpleegkundigen, maar ook bijvoorbeeld operatieassistenten en anaesthesie-assistenten,  nemen weinig initiatief als het gaat om hun eigen deskundigheidsbevordering en ontwikkeling. Een open houding t.a.v. ICT en meer eigenaarschap als het gaat om leren zijn essentieel om dit scenario te laten slagen.

Kennis delen

Om dit scenario te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat stake holders met elkaar kennis gaan delen. Dit is nog niet gebruikelijk binnen onderwijs en tussen ziekenhuizen. Op dit moment zijn wij bijvoorbeeld bezig om te kijken of we binnen de umc’s kennis en producten kunnen delen, maar dat gaat nog heel langzaam. Het generen van kennis geld heeft gekost en men zou graag iets van die investering terug zien. Die houding zal het moeilijk maken om met stake holders leerinhouden te ontwerpen.

Samenwerking met stake holders

Samenwerking tussen de stakeholders  (beroepsverenigingen, zorginstellingen, patiëntenverenigingen en de overheid) is nog niet gebruikelijk. Het samen opstellen van beroepsnormen en leerinhoud,  en het bewaken van de kwaliteit van het leeraanbod zal een uitdaging worden. Alleen al het feit dat ziekenhuizen vallen onder verschillende koepels (de NVZ en de NFU) en onder verschillende ministeries (onderwijs en gezondheidszorg) kan een belemmering zijn voor samenwerking. 

Samenhang tussen factoren


Wat opvalt is dat verschillende aspecten van het imago van het Radboudumc zowel een kans als een bedreiging kunnen zijn. Persoonlijk denk ik dat we die bedreiging kunnen keren als we de rol als kenniscentrum (want dat is een umc nou eenmaal) wel op ons nemen, maar niet uitstralen dat we alles beter weten en kunnen. We moeten daarom een open de dialoog hierover aangaan met stake holders. Daar werken we op dit moment ook al bewust aan als het gaat om andere onderwerpen, zoals de mantelzorgacademie die we nu opzetten en waarvan ik projectleider ben. We doen dit samen met Meander MC en MEZZO (organisatie voor mantelzorgers en vrijwilligers).

Verder is er een tegenstelling zichtbaar tussen het feit dat we als organisatie veel kennis hebben opgebouwd (zie strengths) met behulp van algemene middelen, maar dat er tegelijkertijd veel weerstand is om deze kennis te delen met elkaar zodat de samenleving er beter van wordt (threats). Wij zijn hier nu wel de eerste stappen in aan het zetten een door ons ontwikkeld en succesvol product (deels) kosteloos te delen via Open educational resources in Nederland.

De grootste bedreiging is het feit dat we nu nog te weinig kennis en ervaring hebben met de toepassing van ICT in het onderwijs, gecombineerd met het feit dat de besluitvorming hierover bij ons enorm lang duurt. Willen we aanhaken of zelfs voorop gaan lopen zodat we dit scenario kunnen realiseren dan moeten we nu, in 2015, echt wat gaan doen hieraan. Zoals dat er nu uitziet gaat dat voorlopig niet gebeuren.

Daarnaast denk ik dat m.n. de houding van een deel van de doelgroep t.a.v. ICT toepassingen én ten aanzien van hun eigen leren en ontwikkeling een risico is. Uiteraard is moeilijk te voorspellen hoe dit is in 2030 maar als je kijkt naar de situatie op dit moment dan stemt dat niet hoopvol voor dit scenario. Als onderwijsinstituut ondernemen we nu al wel actie, samen met HR en leidinggevenden, zodat de beroepsgroep m.n. het eigenaarschap meer gaat oppakken. Ook landelijk speelt dit probleem en daar is een rol weggelegd voor beroepsorganisaties maar ook voor de HBO’s en ROC’s waar de basisopleiding plaatsvindt. De gesignaleerde kansen voor dit scenario kunnen hierbij helpen. Zorgprofessionals worden enthousiast als leren goed aansluit bij de praktijk en hun eigen werkplek én als ze zien dat dit een positief effect heeft op de kwaliteit van zorg. Die aspecten kunnen dus goed gebruikt worden om dit scenario te laten slagen.

 

donderdag 12 maart 2015

Bezoek Ixperium

Afgelopen week ben ik naar het Ixperium op de HAN geweest. Ondanks dat dit vooral gericht is op de PABO en het PO heb ik er goede ideeën opgedaan. voor meer info zie hun website.
Wat me opviel en wat ik heel sterk vind is dat ze gewoon begonnen zijn, maar een netwerk hebben gemaakt met besturen van 3 basisscholen. Daarmee hebben ze bijna al het PO in de regio erbij kunnen halen.
We hebben een korte uitleg gekregen en daarna zijn we meegegaan met een groepje PABO studenters die een klas begeleidden die op bezoek kwam. Leuk om dat enthousiasme van de kinderen te zien, m.n. als iets lukt en ze extra punten krijgen in een taalspelletje. Daarna hebben we een aantal mooie en speciale dingen gezien




een smarttable



De Swinx
Daar waar de Swinx een goedkoop en eenvoudige manier is om kinderen te stimuleren tot bewegen en leren is de Smartable een heel duur (duizenden euro's) en mooi apparaat waarmee via verschillende spelletjes kinderen van alles leren.  
Deze is het mooiste: een robot die Rubics cube kon oplossen

Ik vond mn de discussie achteraf heel interessant. We hebben het over voor-nadelen van de inzet van ICT in het onderwijs gehad, mooi in het kader van ons scenario van de virtuele school.
Voordelen zijn; het geeft mogelijkheden om onderwijs veel meer op maat te maken, waardoor je passend onderwijs aan alle kinderen kan geven. Toepassingen zoals learning analytics maken ook dat leren efficiënter kan, waardoor kinderen tijd over houden om buiten te spelen of met elkaar aan opdrachten te werken (ook heel belangrijk voor hun ontwikkeling). Nadeel van learning analytics is dat je veel data over kinderen ergens opslaat, en wie weet wat daar uiteindelijk mee gaat gebeuren? De voordelen van ICTt toepassingen ontstaan m.n. als er een combinatie gemaakt wordt in het leren tussen de technologische wereld en de ambachtelijke wereld.
Een groot nadeel van alle ICT toepassingen ontstaat als ICT 'tussen mensen in komt te staan' en het persoonlijk contact, face tot face, gaat vervangen. Daarom moet een visie van de school uitgangspunt zijn van de keuzes die je maakt over het gebruiken van ICT in het onderwijs. Hhet is ook goed om hier de tijd voor te nemen, die tijd heb je nodig om goede keuzes te maken.

woensdag 11 maart 2015

Een nieuwe SWOT

Vandaag heb ik naar aanleiding van o.a. de feedback van Eric mijn SWOT aangepast. Ik heb gekozen voor een meer creatieve insteek, en heb de verschillende aspecten meer uitgebreid besproken. Het is nog wel kort en bondig want ik vind dat dat in een SWOT wel zo hoort. Ook heb ik nog even extra gekeken naar het stuk over de samenhang tussen de factoren en dat meer aangescherpt. Hierbij mijn nieuwe versie !

woensdag 4 maart 2015

Feedbackvraag aan Eric

Hallo Eric,

Ik mag vandaag aan jou feedback vragen. Ik heb heel benieuwd wat je reactie is op mijn SWOT, is het duidelijk, begrijpelijk en voldoet die aan de eisen??
In de quest staat dat er een beschrijving van de samenhang tussen de verschillende categorieën in moet staan. Ik heb dat geprobeerd te doen om de laatste blz van de toelichting. Is dat de bedoeling denk je, als je suggesties hebt: graag!!

Alvast bedankt !!!

Quest 3: een SWOT

Vandaag begonnen met mijn SWOT. De sterktes en zwaktes van mijn organisaties als het gaat om het realiseren van het scenario; de lerenden gaat naar de wereld en leert in ontmoeting. Leuke opdracht!

Hierbij mijn eerste poging! In dit document volgt de toelichting, maar Dropbox kantelt daarin de afbeelding van de SWOT???

maandag 2 maart 2015

Toekomstscenario's voor deskundigheidsbevordering van zorgprofessionals

Met behulp van de feedback van mijn mede Poohianen ben ik tot vier mooie scenario's gekomen.

Scenario’s vertaald naar deskundigheidsbevordering van zorgprofessionals in 2030

Inleiding


Onafhankelijk van het scenario is deskundigheidsbevordering in 2030 een doorlopend proces dat start vanaf diplomering. Een lerende geeft hiermee vorm aan een Leven Lang Leren en draagt er zo aan bij dat ze langer en langer vitaal aan het werk kan blijven. De overheid stimuleert dit met een uitgebreid pakket waarin o.a. via een vouchersysteem lerenden zichzelf kunnen blijven ontwikkelen (Rijksoverheid, 2014).  De manier waarop dit vormgegeven wordt kan wel verschillen zoals blijkt uit onderstaande scenario’s.

Scenario 1: De school bepaalt het aanbod en de lerende leert in de virtuele wereld.


Vanuit het opleidingsinstituut wordt de lerende een aanbod aan virtuele leermiddelen ter beschikking gesteld waarmee de lerende haar deskundigheidsbevordering vorm geeft. Dat is wel nodig, want er is zoveel aanbod dat een lerende zelf haar weg niet kan vinden en dat heeft een nadelige invloed op de effectiviteit van het onderwijs. Dat is ongewenst, ook het rendement van dit soort onderwijs moet omhoog (OCW, 2011).

Er wordt gebruik gemaakt van Open Educational resources waarbij het opleidingsinstituut een arrangement van open leermaterialen aanbiedt. Daarnaast staan er MOOC’s ter beschikking waarvan  professionals via hun eigen device gebruik kan maken (Jacobi, Jelgerhuis, & Woert, N. van der,  2013). De inhoud van die MOOC’s worden vooraf gescreend op kwaliteit door het opleidingsinstituut. Een lerende krijgt vanuit het opleidingsinstituut een ‘badge’ als zij een (deel van een virtueel) leerarrangement heeft afgesloten. Dit met de gedachte dat deze badges ook bijdragen aan het verhogen van de motivatie van lerenden (Innovating pedagogy, 2013). Tenslotte maken simulatietraininingen onderdeel uit van het (virtuele) aanbod van het opleidingsinstituut. Zo kan er via een verbinding meegekeken worden bij simulatietrainingen en de debriefing ervan in de simulatie unit van het ziekenhuis. Deze meekijk- en oefenmomenten worden in een virtual classroom voor- en nabesproken met een trainer zodat er optimaal leerrendement ontstaat. Het opleidingsinstituut heeft dus een rol als aanbieder van inhoud, facilitator van leermogelijkheden (waaronder ICT voorzieningen) en coach van de lerende die zijn weg zoekt in het aanbod. Tenslotte draagt het instituut zorg voor bewaking van kwaliteit, accreditatie en het toekennen van badges.

 

Scenario 2: De lerende gaat naar de wereld en leert in ontmoeting


Er is veel veranderd in de zorg, o.a. doordat er steeds minder zorg in instellingen wordt gegeven, en steeds meer in de eerste lijn (van Vliet, Spieker, & Kaljouw, 2013). Daarnaast is de patiënt en zijn naaste een volwaardige partner in de zorg geworden (Radboudumc, z.j.). Alle stake holders in de zorg (beroepsverenigingen, zorginstellingen, patiëntenverenigingen en de overheid) hebben daarom beroepsnormen vastgesteld en deze vormen het kader van de deskundigheidsbevordering. Daarbinnen maakt een lerende haar eigen keuze uit het virtuele aanbod. De kwaliteit van het aanbod wordt door de stake holders bewaakt.

De lerende zoekt haar weg door dit aanbod door te werken aan (door de stake holders geformuleerde) praktijkgerichte opdrachten in een realistische virtuele setting. In Open educational resources maakt de lerende gebruik van losse open leerobjecten die aangeboden worden door binnen- en buitenlandse aanbieders van deskundigheidsbevordering (Jacobi, et al. 2013). Daarnaast maakt de lerende gebruik van leren via augmented reality zoals toepassingen als Google Glass waarmee meegekeken kan worden bij onderzoek en ingrepen bij patiënten over de hele wereld. Serious gaming vormt een belangrijke manier om zowel technical als none technical skills te oefenen. In de games kan de lerende andere professionals van over de hele wereld ontmoeten en daarvan leren. Dat is een van de vormen van netwerkleren die ter beschikking staat; de lerenden zoekt en vindt zelf partners in Communities of Practice rond inhoudelijke thema’s (Jacobi, et al., 2013). De lerende heeft de beschikking over een digitale leer- en werkomgeving (personalized learning enviroment) die zij zelf inricht en waarmee zij met de stake holders en aanbieders van de leermogelijkheden communiceert (van Wetering & Desain, 2014).  Zo wordt vormgegeven aan het zogenaamde seamless learning (Innovating pedagogy, 2013).

Vanuit het opleidingsinstituut kan een lerende ondersteuning krijgen in het vinden van haar weg in het aanbod. Daar zitten de deskundigen die zowel bekend zijn met de gestelde normen en kwaliteitseisen als met de inhoud van al het aanbod. Een coach helpt de lerende met selecteren en kiezen.

 
Scenario 3: De wereld komt naar de lerende op school

De noodzaak om het leren in samenwerken met de omgeving is in 2030 herkend (van Wetering, & Desain, 2014). Dat betekent dat de lerende op het opleidingsinstituut de stakeholders ontmoet die de inhoud van de deskundigheidsbevordering mede vorm geven zoals vertegenwoordigers van beroepsverenigingen, andere zorginstellingen in de eerste en tweede lijn, patiëntenverenigingen en mantelzorgorganisaties. Er worden door stake holders presentaties verzorgd. Zo komen vertegenwoordigers van patiëntenverenigingen of verenigingen van mantelzorgers lesgeven op het instituut maar ook vinden er presentaties plaats van nieuwe apparatuur door bedrijven. Op die manier wordt de samenwerking met het bedrijfsleven verder geïntensiveerd (OCW, 2011). Simulatie onderwijs in de simulatie-unit is een belangrijk onderdeel van de deskundigheidsbevordering, zowel daar waar het gaat om technical skills als om samenwerkingsvaardigheden. Er worden hiervoor ‘human patient simulators’ gebruikt die door de industrie, als samenwerkingspartner van de zorg, ter beschikking worden gesteld.

Omdat de grens tussen eerste en tweede lijn steeds meer verschuift (van Vliet, Spieker, & Kaljouw, 2013) lopen medewerkers uit diverse settings stage bij elkaar om elkaars context te leren kennen. Uiteraard wordt veel van het onderwijs op het instituut daarnaast verzorgd door professionals uit de praktijk. Op deze manier worden de verwachtingen van de stake holders als het gaat om bekwaamheiden van lerenden gecombineerd met de deskundigheid van het opleidingsinstituut en de mogelijkheden van de industrie.

Het instituut biedt in dit scenario vooral een rijke leersetting door alle stake holders daar bij elkaar te brengen en de lerende alle faciliteiten te bieden om deskundig te blijven.

 

Scenario 4: De lerende gaat naar school en de school bepaalt wat zij leert van de wereld.


Het opleidingsinstituut heeft de zwakkere punten van de virtuele en door lerenden vormgegeven leeromgevingen (PLO’s) herkend en heeft gekozen voor meer standaardisatie, bewaken van kwaliteit en het aanbod (van Wetering, & Desain, 2014). Door als instituut de regie weer over te nemen is veel duidelijker geworden wat een zorgprofessional nodig heeft om haar beroep goed uit te kunnen oefenen, het opleidingsinstituut draagt zorg voor aanbod en bewaakt de kwaliteit daarvan. Het instituut geeft daarmee invulling aan de roep om meer kwaliteit zoals  bijvoorbeeld in het hoofdlijnenakkoord HBO is vastgelegd (OCW, 2011). De standaard is multi professioneel opleiden. Deskundigheidsbevordering vindt niet langer plaats per vakgebied maar altijd met meerdere professies tegelijk (RHA, 2015).

De lerende gaat naar het opleidingsinstituut en heeft daar de mogelijkheid om op diverse manieren te leren. Zo kan de lerende een training volgen in de simulatie-unit, maar ook vindt klassikaal onderwijs plaats over nieuwe ontwikkelingen in de zorg en is coaching en intervisie mogelijk. De docent bepaalt de inhoud van wat geleerd wordt en houdt hierbij rekening met de context en het niveau van de lerende (Biesta, 2009). Er is regelmatig overleg tussen de lerende en de docent om de inhoud die het instituut ter beschikking stelt af te stemmen op de context en het niveau van de lerende. Tenslotte heeft ook het informeel leren op de werkplek een belangrijke rol in het aanbod; op die manier verwerft de lerende vaardigheden die passen bij de context van de werkplek (Johnson, et al., 2013). Ondanks dat dit leren dus niet op het instituut plaatsvindt sturen en begeleiden docenten van het instituut dit werkplekleren.

De rol van het instituut in dit scenario is groot; zij bepalen inhoud en manier van leren, begeleiden de deskundigheidsbevordering en verzorgen het onderwijs ook inhoudelijk. 

Bronnen

Adviesaanvraag aan onderdeelcommissie Radboudumc Health Academy (2015). RHA (intern document)

Biesta, G. J. (2013). Giving teaching back to education: Responding to the disappearance of the teacher. Phenomenology & Practice, 6(2), 35-49.

Bussemaker, Jet. 2014. Kamerbrief over digitalisering van het hoger onderwijs. Rijksoverheid. 8 januari. Geopend op… van.. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/01/08/kamerbrief-over-digitalisering-van-het-hoger-onderwijs.htm



Jacobi, R., Jelgerhuis, H. & Woert, N. van der, (red). (2013). Trendrapport Open educational resources 2013. SIG OER. Utrecht

Johnson, L., Adams, S., Cummins, M., Estrada, V., Freeman, A., & Ludgate, H. (2013). The NMC horizon report: 2013 higher education edition.

Johnson, L., Adams, S., Becker, S., Estrada, V., and Freeman, A. (2015). NMC Horizon Report: 2015 Higher Education Edition. Austin, Texas: The New Media Consortium.

 Ministerie OCW. (2011). Hoofdlijnenakkoord OCW-HBO-raad. Den Haag: Ministerie OCW.

 Sharples, M., Adams, S., Ferguson, R., Gaved, M., McAndrew, P., Rienties, B., ... & Whitelock, D. (2014). Innovating Pedagogy 2014.

van Wetering, M., & Desain, C. (2014). Trendrapport 2014/2015, technologiekompas voor het onderwijs. 2e ed. Kennisnet, Leiden

 van Vliet, k. , Spieker, P.  & Kaljouw, M. (2013).  Innovatie zorgberoepen en opleidingen. Commissie Innovatie Zorgberoepen en Opleidingen, Diemen.


Helaas nog geen gebruik kunnen maken van de deskundigheid van mijn collega, vanwege tijdsdruk is het niet gelukt bij elkaar te komen. Ik ga Nicolai zeker nog benaderen voor quest 4!

Wat is nou mijn favoriete scenario? Ik denk toch scenario 3: 

De wereld komt naar de lerende op school


Voor de zorg is het enorm belangrijk om veel meer met alle stake holders in contact te komen en daarin optimaal van elkaar te leren en ook kennis te delen. Dat gebeurt nu nog heel weinig, en daar is een grote slag te slaan. Zeker als je kijkt naar ontwikkelingen als 'de patiënt centraal' en de participatiesamenleving waarin er meer van vrijwilligers en mantelzorgers verwacht wordt. Wij moeten leren deze belangrijke personen rond de patiënt beter in beeld te krijgen maar ook die zorg te faciliteren. Vandaar dat wij een MANTELZORGACADEMIE hebben opgezet: www.radboudumc.nl/mantelzorgacademie waar ik (toevallig) projectleider van ben!

Daarnaast; je kunt de ICT ontwikkelingen niet ontkennen, en ik denk echt niet dat al het onderwijs in 2030 in een fysieke school plaats gaat vinden. Het is echter wel zo dat de zorg traditioneel niet heel snel is als het gaat om het gebruik van ICT toepassingen in het leren. Er is een zekere mate van ICT ongeletterdheid die scenario 2 (waarin het netwerk ook centraal staat) niet erg waarschijnlijk maakt.

Daarom scenario 3: ik word daar persoonlijk wel blij van !