maandag 16 maart 2015

Mijn definitieve SWOT

Naar aanleiding van de laatste feedback van Eric (zie vorige week) heb ik nog wat kleien aanpassingen gedaan in mijn SWOT. Hierbij dan de definitieve versie (zonder plaatjes want die pakt het systeem niet meer). .

Quest 3 SWOT analyse voor mijn organisatie

Inleiding


In de groep hebben wij gediscussieerd over het scenario waar wij mee verder zouden willen. De meningen waren verdeeld, dat is ook wel op onze individuele blogs terug te zien bij blog 2. Iedereen   had goede argumenten waarom haar of zijn voorkeur het meest interessant was. Uiteindelijke hebben we gekozen voor het meest vooruitstrevende scenario, namelijk die waar de netwerkschool en de virtuele wereld elkaar vinden: de lerende  gaat naar de wereld en leert in ontmoeting. We denken dat we daar het meest creatief mee aan de slag kunnen gaan voor deze Challenge en dat we daar onze verschillende sectoren een plekje in kunnen vinden.

In 2030 bestaat de rol van de docent niet langer. Fysieke scholen hebben al enige jaren geleden hun deuren gesloten, het onderwijsaanbod wordt inmiddels virtueel geregeld. Een groot scala aan onderwijsvormen is hiervoor beschikbaar: MOOC’s, online learning communities, serious gaming, augumented reality etc. Dit maakt het voor de lerende mogelijk om zelf te bepalen wanneer, waar en hoe hij of zij leert (Sloep, 2014).

De persoon die het dichtste in de buurt van een docent zoals we die in 2015 kenden staat, is de leercoach. Deze persoon heeft als taak om de lerende wegwijs te maken in de steeds complexer wordende maatschappij (Metcalfe & Green, 2007).

Inzet van deze leercoach wordt mogelijk gemaakt door middel van zogenaamde leervouchers die iedere burger tot zijn beschikking heeft en door de overheid worden verstrekt. De lerende richt zo, onder begeleiding van een leercoach, een personalised learning enviroment in. Hiermee kan de lerende met aanbieders en stakeholders communiceren (Van Wetering & Desain, 2014)

Er wordt in 2030 niet langer richting eindtermen gewerkt, diploma’s bestaan niet meer. Na het afronden van een cursus, een event, een portfoliowerkstuk of na het opdoen van ervaring wordt een aantekening op het digitaal portfolio van de desbetreffende persoon gemaakt.

De eerste stappen richting deze vorm van onderwijs zijn al in 2013 gezet. De toenmalige Ecole 42 bood aan een select gezelschap kosteloze scholing aan, zonder docenten, zonder lesaanbod, zonder diploma maar met baangarantie (Ecole 42, 2013). Inmiddels, in 2030, is deze vorm van onderwijs voor iedereen van 16 jaar en ouder beschikbaar.

Strengths

Leercoach

Er is veel kennis, ervaring en enthousiasme bij het opleidingsinstituut als het gaat om ontwerpen van leertrajecten op individueel niveau. Wij zijn gewend te denken in individueel maatwerk voor lerenden: de rol van leercoach in dit scenario past hierbij.
Imago en samenwerking
Wij zijn een grote instelling met goed imago als het gaat om de inhoud van de zorg. In een netwerkschool omgeving is het belangrijk dat andere partijen met je samen willen werken en hun inhoud en kennis met je willen delen op (inter)nationaal niveau. Ons goede imago maakt het waarschijnlijk dat dit gaat gebeuren.

Innovatie in de organisatie

Er wordt binnen het Radboudumc al veel onderzoek gedaan en geïnnoveerd op gebieden zoals augmented reality in het Reshape centrum. Dat zijn ICT toepassingen die in een virtuele netwerkschool belangrijk worden. Die kennis en ervaring wordt nu al opgebouwd en is belangrijk in de virtuele netwerkschool

Weaknesses

Geen ICT structuur voor leren

We hebben nu (2015) nog geen digitale leeromgeving/LMS of E-learning. Dat betekent dat er een grote achterstand binnen de organisatie is in kennis en vaardigheden als het gaat om de inzet van ICT mogelijkheden in het onderwijs. Dat geldt niet alleen voor medewerkers van de onderwijsinstituten maar ook voor de professionals in het ziekenhuis. Om een virtuele school te realiseren zal er een enorme inhaalslag gemaakt moeten worden.

Structuur van de organisatie

De structuur van de organisatie van de organisatie is erg bureaucratisch, politiek getint en met een divisiestructuur. Dat maakt dat gezamenlijke besluitvorming over nieuwe (ICT) ontwikkelingen traag verloopt. De vraag is of we in deze structuur, en met deze besluitvorming,  in 2030 onze achterstand hebben kunnen inlopen om echt een virtuele school te kunnen worden. 

Weerstand en imago

Het Radboudumc heeft bij omliggende ziekenhuizen een 'naam':  wij weten het (volgens hen) altijd beter! Dat roept weerstand op. Tegelijktijdig hebben wij een achterstand als het gaat om ICT toepassingen in het onderwijs, dus zo goed hebben wij het niet geregeld. Deze twee factoren gecombineerd geeft een imagoprobleem dat de samenwerking in netwerken kan belemmeren.

Opportunities


Aansluiten bij de praktijk

Het samenwerken in netwerken met verschillende stake holders (in ons geval andere zorginstellingen, beroepsverenigingen, patiëntenverenigingen etc.)  leidt tot aanbod in het onderwijsinstituut dat nog beter aansluit bij de werkplek/de praktijk. Dat is een enorme kans om ons onderwijs te verbeteren.

Verschillende leermogelijkheden 

In dit scenario zijn er veel verschillende manieren van leren mogelijk. Lerenden met diverse leervoorkeuren kunnen hierdoor leren op een manier die precies bij hen past. Dat verhoogt zowel het plezier als het rendement van het leren en is daarmee echt een kans van dit scenario.

Kwaliteit van zorg

Door het leren in netwerken, waarin theorie en praktijk (inter)nationaal bij elkaar komen, kunnen lerenden ontwikkelingen in de zorg op de voet volgen. Bovendien kan het gebruik van ICT hulpmiddelen het volgen van ontwikkelingen verder faciliteren. Dat kan een positief effect hebben op de kwaliteit van de zorg en de motivatie van de lerenden.

Threats  


De rol en houding van de  zorgprofessional

De ICT geletterdheid bij (een deel van) de doelgroep is niet hoog. Er is sprake van huiver als het gaat om het gebruiken van ICT mogelijkheden en daardoor ontstaat weerstand. Daarnaast wordt weinig eigenaarschap gevoeld als het gaat om je eigen leren en ontwikkeling. Verpleegkundigen, maar ook bijvoorbeeld operatieassistenten en anaesthesie-assistenten,  nemen weinig initiatief als het gaat om hun eigen deskundigheidsbevordering en ontwikkeling. Een open houding t.a.v. ICT en meer eigenaarschap als het gaat om leren zijn essentieel om dit scenario te laten slagen.

Kennis delen

Om dit scenario te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat stake holders met elkaar kennis gaan delen. Dit is nog niet gebruikelijk binnen onderwijs en tussen ziekenhuizen. Op dit moment zijn wij bijvoorbeeld bezig om te kijken of we binnen de umc’s kennis en producten kunnen delen, maar dat gaat nog heel langzaam. Het generen van kennis geld heeft gekost en men zou graag iets van die investering terug zien. Die houding zal het moeilijk maken om met stake holders leerinhouden te ontwerpen.

Samenwerking met stake holders

Samenwerking tussen de stakeholders  (beroepsverenigingen, zorginstellingen, patiëntenverenigingen en de overheid) is nog niet gebruikelijk. Het samen opstellen van beroepsnormen en leerinhoud,  en het bewaken van de kwaliteit van het leeraanbod zal een uitdaging worden. Alleen al het feit dat ziekenhuizen vallen onder verschillende koepels (de NVZ en de NFU) en onder verschillende ministeries (onderwijs en gezondheidszorg) kan een belemmering zijn voor samenwerking. 

Samenhang tussen factoren


Wat opvalt is dat verschillende aspecten van het imago van het Radboudumc zowel een kans als een bedreiging kunnen zijn. Persoonlijk denk ik dat we die bedreiging kunnen keren als we de rol als kenniscentrum (want dat is een umc nou eenmaal) wel op ons nemen, maar niet uitstralen dat we alles beter weten en kunnen. We moeten daarom een open de dialoog hierover aangaan met stake holders. Daar werken we op dit moment ook al bewust aan als het gaat om andere onderwerpen, zoals de mantelzorgacademie die we nu opzetten en waarvan ik projectleider ben. We doen dit samen met Meander MC en MEZZO (organisatie voor mantelzorgers en vrijwilligers).

Verder is er een tegenstelling zichtbaar tussen het feit dat we als organisatie veel kennis hebben opgebouwd (zie strengths) met behulp van algemene middelen, maar dat er tegelijkertijd veel weerstand is om deze kennis te delen met elkaar zodat de samenleving er beter van wordt (threats). Wij zijn hier nu wel de eerste stappen in aan het zetten een door ons ontwikkeld en succesvol product (deels) kosteloos te delen via Open educational resources in Nederland.

De grootste bedreiging is het feit dat we nu nog te weinig kennis en ervaring hebben met de toepassing van ICT in het onderwijs, gecombineerd met het feit dat de besluitvorming hierover bij ons enorm lang duurt. Willen we aanhaken of zelfs voorop gaan lopen zodat we dit scenario kunnen realiseren dan moeten we nu, in 2015, echt wat gaan doen hieraan. Zoals dat er nu uitziet gaat dat voorlopig niet gebeuren.

Daarnaast denk ik dat m.n. de houding van een deel van de doelgroep t.a.v. ICT toepassingen én ten aanzien van hun eigen leren en ontwikkeling een risico is. Uiteraard is moeilijk te voorspellen hoe dit is in 2030 maar als je kijkt naar de situatie op dit moment dan stemt dat niet hoopvol voor dit scenario. Als onderwijsinstituut ondernemen we nu al wel actie, samen met HR en leidinggevenden, zodat de beroepsgroep m.n. het eigenaarschap meer gaat oppakken. Ook landelijk speelt dit probleem en daar is een rol weggelegd voor beroepsorganisaties maar ook voor de HBO’s en ROC’s waar de basisopleiding plaatsvindt. De gesignaleerde kansen voor dit scenario kunnen hierbij helpen. Zorgprofessionals worden enthousiast als leren goed aansluit bij de praktijk en hun eigen werkplek én als ze zien dat dit een positief effect heeft op de kwaliteit van zorg. Die aspecten kunnen dus goed gebruikt worden om dit scenario te laten slagen.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten